2 april 2019

Toen ik ruim een jaar geleden hoorde dat onze bestuivers, wilde of tamme bijen en hommel, om uiteenlopende redenen ecologisch bedreigd worden, schreef ik een tweet waarin ik stelde dat steden voor dit soort diertjes juist een oase van bloemen zouden moeten zijn. Niet alleen door meer bloemrijke tuinen, in plaats van het verkommerde grasveldje met drie struikjes achter het huis, maar door ook aan de straatzijde meer bloemen te laten groeien. Dit gebeurt ook regenmatig in de zgn. geveltuintjes, maar ik zag dat er nog veel ongebruikte ruimten rondom de bomen zijn: de boomspiegels. In de boomspiegel voor mijn huis in de Balistraat heb ik dus een bloementuintje in gericht. Leuk, maar verder op, zag ik een paar boomspiegels waarin niks groeide: een kale stoffige bodem. Dus ben ik hiermee aan de slag gegaan door bij wijze van proef er wat planten in te zetten.

Deze bleken er binnen een paar dagen uit geschoffeld te zijn. Daarna nogmaals geprobeerd, weer dezelfde uitkomst. Toen maar eens met de gemeente gebeld. De dienstdoende ambtenaar kwam persoonlijk langs en moedigde mijn voornemen aan. Aldus heb ik opnieuw wat planten ingezet: binnen twee dagen wederom verwijderd, waarbij zelfs de voor het volgend jaar bestemde bloembollen uitgegraven waren.

Groen Den Haag, oh groen Den Haag, wat moeten we hiervan denken? Enerzijds aanmoediging, anderzijds een nijvere straatveegdienst die vakkundig ieder groen sprietje uittrekt, tenzij er sprake is van een bloemen hatende buurtbewoner. In het eerste geval zal gewezen moeten worden op een strijdig gemeentelijk beleid: groene ideeën maar een hardvochtige straatveegdienst. In het tweede geval zal wellicht de gemeentelijke psychologische dienst moeten worden ingeschakeld.

De Archipel moet bloeien!

Petrus C. van Duyne